
Ze zag er goed uit en ze was niet op haar mondje gevallen. Dat wist ze en ze gebruikte het. Als ze in moeilijke situaties kwam (van die situaties waarin een ander verlegen wordt of stuntelig) dan gooide zij zich daar met flair doorheen. En dan had ze de lachers nog op haar hand ook. Ze kon zich dus best redden. Heel best. Maar nu was ze onzeker; een beetje gespannen en stil. Want dit hier waren mensen waar haar flair geen vat op had.
Ze voelde dat ze het niet eens hoefde te proberen. Ze merkte hoeveel ze eigenlijk altijd had gedaan met haar ‘flair’. Ze ontdekte dat het haar wapen was, haar camouflagetruc en haar Grote Trots. Alles gemaakt in haar onaantastbare bubbel waar zij als koningin heerste.
Maar tussen deze mensen was het een wapen waarmee ze zichzelf verwondde. En camouflage leek hier alleen maar kinderachtig, want niemand schonk er aandacht aan. En haar trots? Die smolt. Want hier ging het om het échte, het eerlijke, het ongekunstelde, het zuivere, dat dan desnoods stuntelig mocht zijn en stamelend en lang (nog) niet volmaakt, als de bron waar het uit kwam maar goed was. En haar millennial flair kwam niet uit de goede bron, dat wist ze nu. En dat maakte haar onzeker.
Zondag zou ze gedoopt worden. Ze stelde zich voor hoe het gaan zou. Ze zou daar staan voor veel mensen en iets zeggen. Iets zeggen? Wát? Ze wist absoluut niet wat ze zeggen moest. Ze wist het niet. Dat was een heel vreemde gewaarwording voor haar: niet weten wat je moet zeggen – en ook niet durven vertrouwen op je handigheid dat je wel gauw iets zou verzinnen als het zover was. Ze ging ertegen op zien. Zij met haar flair. Of eigenlijk: zónder haar flair.
‘Ik meen het toch’, dacht ze verward. Ik wil toch Jezus volgen. Ik wil dat toch doen op de manier die Hijzelf heeft gedaan! Ik wil toch gedoopt worden. Ik wil toch lid zijn van deze gemeente. Ik geloof toch dat de gemeente het lichaam van Christus is. Ik wil daar toch bij horen. Dat wil ik toch?! Ze zei nog eens: Ja Heer, ik wil. En probeerde te slapen.
De zondag kwam. Iemand hielp haar het lange witte doopkleed aan te trekken. Ze voelde zich vreemd. Blij en rustig, maar toch of ze het niet helemaal zelf was. Ergens zat nog een brok spanning, maar het hinderde haar niet. Haar ouders waren niet gekomen, maar het hinderde haar niet. Twee kritische collega’s waren wel gekomen, maar het hinderde haar niet. Ze wist nog steeds niet wat ze zeggen moest, maar het hinderde haar niet. Ze had maar één gedachte: Ja Heer, ik wil!
‘En, Marleen’, zei de voorganger, ‘mogen we jouw getuigenis horen?’ Ze keek de zaal in. Haar gezicht ging open in een lach zó blij en ze juichte: ‘Jezus heeft mij geroepen! Hij zei: Marleen, nu is het jouw beurt. En ik zei: Ja Heer, hier ben ik!’
Was dat haar oude arrogantie? Nee, het was haar nieuwe flair!
