
- ‘Toen bracht men een bezetene tot Hem, die blind en stom was. En Jezus genas hem zodat de stomme sprak en zag. En alle mensen waren buiten zichzelf en zeiden: Dit is toch niet de Zoon van David? Maar de (Jezus hatende) Farizeeën hoorden het en zeiden: Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste van de demonen. Maar Jezus kende hun gedachten en zei tot hen:
- ‘Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden. En als de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden? En als Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan (Hand.19:14-16)? Daarom zullen zij rechters over u zijn.
- Maar als Ik door de Geest van God de demonen van satan uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen. Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden? Dan zal hij zijn huis plunderen. Wie niet voor Mij is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit’ (Mattheüs 12:22-30).
De laatste opdracht die Jezus gaf, toen Hij van zijn leerlingen afscheid nam, staat in Marcus 16: ‘Tekens zullen diegenen die geloven volgen: In Mijn naam zullen zij demonen uitdrijven’. Jezus geeft de opdracht dat opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen, net als Hij, de werken van de duivel zullen verbreken door het uitdrijven van zijn demonen. Als zij deze opdracht uitvoeren, komt het Koninkrijk van God ook over hen. Wij willen dezelfde werken doen die Jezus deed.

Echt vrij zijn is geen passief en lijdzaam gebeuren. Men kan de vrede en de blijdschap van Gods Koninkrijk pas ervaren als die machten worden aangesproken die de mens bezetten en onder de duim willen houden. De mens zelf weet het beste wat in hem is en wat hem naar beneden duwt: ‘Niemand weet wat in de mens is, dan de geest van de mens die in hem is’ (1 Cor.2:11). Ook Jezus wist wat in de mens was (Joh.2:25), dat liet Gods Geest Hem zien. Als wij weten dat er iets in ons is wat niet samengaat met het Koninkrijk van de Hemelen, moeten we dat er uit halen. Wij doen dat door ons op te stellen in de geestelijke strijd.
Is je huis opgeruimd?

Wij worstelen niet tegen ons eigen vlees en bloed. Vlees is beeld van de uiterlijke en bloed is beeld van de innerlijke mens. Wij beledigen, kwetsen of vechten letterlijk ook niet met de ander, maar wij bestrijden de geestenwereld. De demonen zijn onze vijanden:
- ‘Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid’ (Lucas 11:21).
Bewaakt u uw eigen hof? Adam deed dat niet, hij veroorzaakte daardoor een ramp van wereldformaat. Door onze eigen hof te bewaken, vangen we de grote en kleine vossen (Hooglied 2:15; Klaagliederen 5:18). In deze strijd worden we sterk en kunnen we de ander in zijn strijd helpen (Hebr.11:34).
Grote weerstand tegen de woorden van Jezus – De voorvaders

Het uitdrijven van demonen is de enige methode waardoor het Koninkrijk van God kan komen. Deze woorden van Jezus roepen ook vandaag grote weerstand op. Toen bij de farizeeën en nu nog steeds bij de rechtzinnige, orthodoxe en roomse kerkgangers. Wie terug kijkt naar de geschiedenis van Nederland, komt niemand tegen die demonen uitdrijft in de naam van Jezus. De rechtzinnigen voeren in elk geval geen strijd, zij houden zich bezig met de leer van de voorvaders. Zij kijken daarbij continu achterom, omdat die leer eeuwen geleden is opgesteld. Maar wie achterom kijkt, is niet geschikt voor het Koninkrijk van God. Orthodoxie is daarom een religie die leeft van het achterom kijken. Hun autoriteit berust op oude, gemaakte puinhopen tot aan vandaag.
Weerspannige Farizeeën en Schriftgeleerden

De farizeeën werden daar ook mee geconfronteerd. Wat Jezus deed was uniek; zij hadden dat nooit zo geleerd. Daarom raakten zij geïrriteerd en weigerden zij de geestelijke weg te gaan. Om zich te handhaven, begonnen zij Jezus te beschuldigen van het uitdrijven van boze geesten door Beëlzebul, de overste van de demonen. Ook later, als Nicodémus Jezus verdedigt, zeggen zij dat zij dit alles niet hoeven te onderzoeken, omdat er in Galiléa nog nooit een profeet was opgestaan (Joh.7). Hiermee gingen zij tegen Jesaja in, die profeteerde (hfdst.9) dat het land van de heidenen, van Zebulon en Naftali, een groot licht zou zien en dat over het volk dat in duisternis wandelde, een groot licht zou opgaan. Dat ging over Galiléa. De farizeeën wilde niet zien dat Jezus de profetie aan het vervullen was. Ze stelden Jezus op één lijn met de toverdokter, medicijnmeester en geestenbezweerder uit andere landen. M.a.w. Hij drijft de geesten uit door de duivel, die komt uit een ander land. Als wij vandaag demonen uitdrijven, wordt op dezelfde manier gereageerd: ‘Het is duivelswerk, zij zijn valse profeten…’
De praktijk van Jezus – Een nieuwe generatie
In de kerkgeschiedenis is weinig terug te vinden over de geestelijke wereld en over het uitdrijven van demonen, terwijl dit toch de leer van Jezus is en Hij het uitdrukkelijk heeft bevolen (Op.6:5,6). De kern van de Bijbel is dat wij God zullen liefhebben en de (goedwillende!) naaste als onszelf (Matth.10:11-15). Alleen daarom al zullen we demonen moeten uitdrijven. Jezus wil dat wij worden zoals Hij, dat wij goed zijn zoals Zijn Vader, daar hoort ook het uitdrijven van demonen bij.
Tijdens het werk van Jezus op aarde, groeide een nieuwe generatie op. Zij hoorden Jezus’ evangelie en zagen wat Jezus deed, maar zij zagen ook hun eigen ouders. Die oude generatie leefde nog in het duister, oudtestamentisch, zonder blijdschap en geluk. Zij hadden een vreugdeloos leven van wetten en inzettingen. Deze jonge mensen hoorden nu dat het juk van Jezus licht was en zijn last niet zwaar. Enerzijds zagen ze dus het doodse leven van hun ouders, anderzijds waren ze stomverbaasd als ze de bevrijding van mensen meemaakten, zoals de blinde die doofstom was. Zij kwamen dus liever niet meer in de synagoge, omdat ze bij Jezus wilden zijn. In de synagoge vonden ze geen woorden van herstel waar ze naar hunkerden. Deze eerste kerkverlaters gingen liever naar Jezus, die woorden van eeuwig leven heeft: ‘Kijk, de hele wereld loopt Hem achterna’. De farizeeën moesten dit tandenknarsend erkennen:
- ‘Ook al geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar vanwege de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit om niet uit de synagoge te worden gebannen; want zij waren gesteld op de eer van mensen, meer dan op de eer van God’ (Joh.12:42,43).
De zonen van die oversten volgden echter Jezus en wierpen ook duivelen uit. Daarom stelt Jezus aan de oversten de vraag: ‘En als Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan?’
De eerste charismatische beweging

Hier is sprake van de eerste charismatische beweging: de zonen van de oversten uit de synagoge zien wat Jezus doet en willen dit goede invoegen in het systeem van de kerk. Het begint dus ‘hoogkerkelijk’. Zij willen de kerk, de synagoge, echter niet loslaten, omdat dat systeem toch voor hen gevoelsmatig de oudste papieren heeft. Het systeem is immers terug te voeren tot Mozes, een man van God en in de synagoge is toch altijd het woord van God gebracht. Daar wordt sinds jaar en dag de wet voorgelezen en houdt men erediensten. Om die reden willen ze het uitdrijven van demonen erbij voegen, zodat het legaal wordt. Zij geloven immers ook in de naam van Jezus en op grond van die Naam drijven zij duivelen uit:
- ‘Johannes zei tot Hem: Meester, wij hebben iemand, die ons niet volgt, in uw naam demonen zien uitdrijven en wij wilden hem tegenhouden, omdat hij ons niet volgde’ (Marc.9:38).
Er was toen al sprake van een zichtbare opwekking in de kerk. Paulus komt dit later ook tegen:
- ‘En ook enige van de rondreizende Joodse geestenbezweerders (beter vertaald: exorcisten) waagden het over hen, die zulke demonen hadden, de naam van de Heer Jezus te noemen met de woorden: Ik bezweer u bij de Jezus, waar Paulus over spreekt. Dit waren nu zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse overpriester, die dit deden’ (Hand.19:13,14).
Ook hier is sprake van een kerkelijke aristocratie. De overpriester kon later zelf tot hogepriester worden gekozen, maar ook één van die zonen zou later hogepriester kunnen worden. Deze zonen geloven in de kracht van Jezus’ Naam, maar om elke twijfel uit te sluiten, voegen ze er aan toe: ‘waar Paulus over spreekt’, want er liepen wel meer mensen rond met de naam Jezus. Dit is de charismatische beweging ten top: ruim van hart, ruim van denken. Tegen Paulus zelf hadden ze bezwaren, want hij is immers tegen het judaïsme. Paulus riep mensen immers op om met de Joodse wetten en instellingen te breken. Ze noemen hem zelfs de eerste voorstander van de sekte van Nazoreeërs (Hand.24:5). Maar ze proberen toch demonen uit te drijven, dan zeggen ze het maar zo: in de naam van Jezus, die Paulus brengt.
Jezus zegt:
- ‘Er zal niemand kwaad van Mij spreken als hij in Mijn naam demonen uitwerpt. Wie niet tegen Mij is, is voor Mij’.
Jezus geeft mensen de tijd om een radicale beslissing te nemen. Hij jaagt ze niet op, Hij veroordeelt ze niet, maar laat het in de mens tot ontwikkeling komen. Tegen één van hen zegt Hij: ‘Je bent niet ver van het koninkrijk van God’ (Marc.12:34). Paulus zegt later in Filippenzen 1:18: ‘Wat doet het ertoe? In elk geval wordt Christus gebracht, met of zonder bijbedoeling. En daarover ben ik blij. En ik zal daar ook blij over blijven’.
Charismatische bewegingen
Tegenwoordig hebben de kerken maar weinig te bieden. Er wordt veel geklaagd over kerkverlaters. De leer van de voorvaders is verouderd en hebben de mensen niets meer te zeggen. De belijdenisgeschriften hebben geen enkele waarde meer. Maar op sociaal en politiek vlak wil men toch wel wat betekenen, daarvoor heeft men alles over. Ook als dat betekent dat zij moeten samenwerken met mensen die Jezus haten. Macht, aanzien en geld gaan daarom voor hen gewoon door, met rampzalige gevolgen. Wee hen.
Occultisme

De mensen willen ook een bevrediging van het zielenleven, men zoekt het daarom in het paranormale. Het is een vreemde wisselwerking. Daar waar men materiële goederen geeft aan ‘zielige mensen in zogenaamde arme landen’, krijgt men geestelijke afgoden als dank terug. Verhuld in een gebaar van dankbaarheid, krijgen mensen hier te maken met occultisme. Het wordt als een prachtig geschenk aangenomen door de mensen, maar men vergeet één ding: ‘Waarom hebben de mensen uit die landen zoveel armoede en waarom zijn ze niet zo ontwikkeld als wij? Hebben de oosterse godsdiensten nu zoveel voorspoed en geluk gebracht?’ Nee, zij zijn ver achtergebleven in de ontwikkeling vergeleken met de christelijke landen. Maar in de kerken heeft men geen onderscheiding van geesten meer. Men praat niet meer over verschillen, nee, men wil vooral ‘samen op weg’.
Nieuwe lappen op oude kleren – Jacobus vermoord

In Handelingen 6:7 staat: ‘Het woord van God bleef zich verspreiden; het aantal leerlingen in Jeruzalem werd nog veel groter en ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof’. Dit is hét voorbeeld van de samen-op-weg beweging, want de priesters kwamen tot geloof, maar helaas: ze gingen gewoon door met offeren. Jacobus is later zelfs erg enthousiast en zegt tegen Paulus:
- ‘Kijk hoeveel duizenden er onder de Joden tot geloof gekomen zijn en allen houden ze zich strikt aan de wet!’ (Hand.21:20).
Zij naaiden een nieuwe lap op een oud kleed; er was geen verandering van denken gekomen. Voor Jacobus hoeven de Joden niet bang te zijn. Later wordt hij zelfs door dezelfde wetsfanaten van de tempelrand gegooid en vermoord. Ze zijn wél bang voor Paulus, want hij brengt een evangelie wat vrij van de wet is. Het evangelie van Jezus Christus was de reden van de breuk met het Jodendom. Paulus, bij uitstek de verspreider van dat evangelie, staat daarom nog steeds bekend als antisemiet.
- ‘Wie met Mij niet bij elkaar brengt, die verstrooit’
Jezus bracht niet alleen vrijheid en blijdschap van het Koninkrijk van God door het uitdrijven van demonen, maar Hij bouwde ook Zijn gemeente waar men opgevangen, verder opgeleid en beschermd wordt. Iemand die bevrijd is, heeft niet de garantie dat hij nooit meer gebonden wordt. Maar het is wel belangrijk dat zo iemand leeft tussen broers en zussen die dit evangelie uitdragen, zodat hij kan groeien in het geloof. Met als doel dat hij tot alle goede werken van God volkomen is toegerust. ‘Sta dan in de vrijheid, waarmee Christus u vrijgemaakt heeft’.
Jezus weet wat er gebeuren kan als iemand bevrijd is. In Mattheüs 12:43 legt Hij het uit:
- ‘Zodra de onreine geest van de mens is uitgegaan, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet. Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren; en als hij komt, vindt hij het leegstaan en geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mee, slechter dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin. Zo zal het ook gaan met dit ontaarde geslacht’.
In de onzienlijke wereld kunnen mensen worden bevrijd, het herstel begint omdat het Koninkrijk van God is geopenbaard. Maar wat zijn de intenties van degenen die ook vandaag nog, mensen bevrijden tijdens indrukwekkende samenkomsten?

Waarom drijven zij demonen uit? Om deze mensen weer op te kunnen nemen in hun kerkelijk systeem met de wetten en voorschriften! Deze ‘uitdrijvers’ spreken veel over Jezus, maar zij volgen Hem meestal niet, zoals de leerlingen gedaan hebben. Hun samenkomsten, waar demonen met geweld worden uitgedreven, kunnen niet verbloemen dat zij zelf nog de ballast meenemen die ze zichzelf hebben opgelegd: het ijveren voor de wet. Alles blijft bij het oude, het denken is niet vernieuwd, men is niet vrij. Zo komt men weer terug bij de dwaling en de leugen van het oude systeem, maar dan met veel sterkere demonen.
Het Lam volgen waar Hij ook heen gaat

Over hen die echt vrij zijn en alleen wandelen in de hemelse gewesten, zegt Openbaring 14:4,5:
- ‘En zij volgden het Lam, waar Hij ook heen ging. En in hun mond is geen leugen gevonden.’
Zij zijn alleen bezig met het Koninkrijk van de Hemelen in de hemelse gewesten en niet met de aarde, die verdwijnt. Jezus is gekomen om de mensen te verzamelen tot een gemeente. In die verzameling zal Jezus met zijn evangelie het centrum vormen. Zo verzamelt Hij nu nog zijn volk in het nieuwe Jeruzalem in de geestelijke wereld.
Door het ontbreken van kennis over de geestelijke wereld en door het fanatiek afwijzen van het bestaan van die geestelijke wereld, zijn de kerken alleen nog maar bezig met dogma’s en wetten. Ook al kunnen ze demonen uitdrijven of in talen spreken, zij brengen geen woorden van eeuwig leven, zij verstrooien:
- ‘Ze zullen profeteren in Mijn naam, maar Ik heb hen niet gekend’ zegt Jezus, want men brengt niet Zijn leer, maar preekt de eenheid van Babylon (Matth.25:10-13), (Matth.25:41-46).
Trek uit Babel!

Babylon is de verwarring, de chaos. In de tijd van de ballingschap waren de mannen van God in Babel, men zat daar ‘in de verstrooiing’. Maar er kwam een moment waarop God zei: ‘Trek uit Babel’ (Op.18:4). De mensen gingen toen weer terug naar eigen land en eigen bodem. Wij trekken ook uit Babel. Omdat in de kerken het evangelie van Jezus Christus nergens meer gebracht wordt, geldt de oproep ‘Trek uit Babel’ ook voor ons. Wij keren terug naar eigen grond, de hemelse gewesten en bouwen mee aan de tempel van God. Wij willen Jezus volgen. Wij willen rekening houden met het doel dat wij onberispelijk worden. Wij willen deel hebben aan het herstel van de zuchtende schepping.